BLOED & BLOEDCELLEN | Bloedgroep

 

 

Alles over uw bloed

Bloedgroep

 

Het menselijk bloed is ingedeeld in 4 bloedgroepen. Dit zijn de groepen A, B, AB en 0. Deze letters en cijfer refereren aan een antigen, of proteïne, aan het oppervlakte van de rode bloedcellen. De oppervlakte van de rode bloedcellen van het type A bijvoorbeeld, heeft antigenen welke bekend zijn onder de naam A-antigenen.

Elk bloed type is daarnaast ingedeeld door een Rhesus factor, ook wel RH factor genoemd. Bloed is of Rh positief (Rh+) of Rh negatief (Rh-). De meerderheid van de mensen heeft Rh+ bloed. Rhesus refereert aan een ander type antigen of proteine, aan het oppervlakte van de rode bloedcellen.

In Nederland is bloedgroep 0 het meest voorkomend, bijna de helft van de Nederlanders (47%) heeft bloedgroep 0. Daarna komt bloedgroep A met ongeveer 42%, bloedgroep B met 8% en slechts 3% van de Nederlanders heeft bloedgroep AB.

Als de rhesusfactor gekoppeld wordt aan de bloedgroep heb je acht soorten bloedgroepen; namelijk bloedgroep A positief, bloedgroep A negatief, bloedgroep B postief, bloedgroep B negatief, bloedgroep AB postief, bloedgroep AB negatief, bloedgroep 0 postief en bloedgroep 0 negatief. Als je weet welke bloedgroep je hebt kun je hieronder zien welk percentage van de Nederlandse bevolking dezelfde bloedgroep heeft (afgerond op hele procenten):

  • bloedgroep A+: 35%
  • bloedgroep A-: 7%
  • bloedgroep B+: 7%
  • bloedgroep B-: 1%
  • bloedgroep AB+: 3%
  • bloedgroep AB-: 1%
  • bloedgroep 0+: 40%
  • bloedgroep 0-: 8%

Wereldwijd is bloedgroep AB negatief het minst voorkomend (0,45% van de wereldbevolking), gevolgd door bloedgroep B negatief (1,39%), bloedgroep A negatief (3,52%), bloedgroep AB negatief (4,33%) en bloedgroep AB positief (5,06%). De overige drie bloedgroepen komen het meest voor; ongeveer eenvijfde van de wereldbevolking heeft bloedgroep B positief (20,59%), ongeveer een kwart heeft bloedgroep A positief (28,27%) en het vaakst komt bloedgroep 0 positief voor (36,44% van de mensen heeft deze bloedgroep).

 

Erfelijkheid bloedgroepen

Bloedgroepen zijn erfelijk en worden dus doorgegeven van de ouders op kinderen (tijdens de zwangerschap). Beide ouders geven A, B of 0 door. Sommige groepen zijn dominant ten opzichte van andere groepen. Bloedgroep 0 is ondergeschikt aan A en B. Erf je dus van je moeder een A en van je vader een 0, dan heb je kopie A en 0, maar bloedgroep A. Als je bloedgroep A hebt, kan die dus zijn samengesteld uit een A en een A, maar ook uit een A en een 0. Als je bloedgroep B hebt, kan die dus zijn samengesteld uit een B en een B, maar ook uit een B en een 0. Ouders geven maar een van hun twee kopieën door aan het kind.

Als beide ouders bloedgroep A hebben, dan hebben zowel de vader als moeder A+A of A+0 (A is dominant). Als beide ouders de A doorgeven heeft het kind A+A=A. Als 1 ouder de A doorgeeft en de andere een 0, dan heeft het kind A+0=A. Als beide ouders de 0 doorgeven heeft het kinder 0+0=0. Als beide ouders 0 hebben (0+0 dus), dan krijgt het kind dus zeker 0.

Hieronder een schema geredeneerd vanuit de bloedgroep van het kind.

Als een kind bloedgroep 0 heeft, dan kunnen de ouders de volgende bloedgroepen hebben:

  • Beide ouders hebben ook bloedgroep 0
    • Beide ouders hebben 00 en geven 0 door (00=0).
  • Ouder 1 heeft 0 en ouder 2 heeft A
    • Ouder 1 heeft 00 en ouder 2 heeft A0 en beide ouders geven 0 door (00=0).
  • Ouder 1 heeft 0 en ouder 2 heeft B
    • Ouder 1 heeft 00 en ouder 2 heeft B0 en beide ouders geven 0 door (00=0).
  • Beide ouders hebben bloedgroep A
    • Beide ouders hebben A0 en beide ouders geven 0 door (00=0).
  • Beide ouders hebben bloedgroep B
    • Beide ouders hebben B0 en beide ouders geven 0 door (00=0).
  • Ouder 1 heeft A en ouder 2 heeft B
    • Ouder 1 heeft A0 en ouder 2 heeft B0 en beide ouders geven 0 door (00=0).

     

Als een kind bloedgroep A heeft, dan kunnen de ouders de volgende bloedgroepen hebben:


  • Beide ouders hebben ook bloedgroep Abloedgroep
    • Beide ouders hebben AA en geven beide A door (AA=A).
    • Bij beide ouders hebben A0 en tenminste 1 ouder een A door (A0=A of AA=A).
    • Ouder 1 heeft AA en ouder 2 heeft A0 en ze geven beide A door (AA=A), of ouder 2 geeft 0 door (A0=A).
  • Beide ouders hebben bloedgroep AB
    • Beide ouders hebben AB en geven beide een A door (AA=A).
  • Ouder 1 heeft A en ouder 2 heeft 0
    • Ouder 1 heeft AA en ouder 2 heeft 00 en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft 0 door (A0=A).
    • Ouder 1 heeft A0 en ouder 2 heeft 00 en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft 0 door (A0=A).
  • Ouder 1 heeft A en ouder 2 heeft B
    • Ouder 1 heeft AA en ouder 2 heeft B0 en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft 0 door (A0=A).
    • Ouder 1 heeft A0 en ouder 2 heeft B0 en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft 0 door (A0=A).
  • Ouder 1 heeft A en ouder 2 heeft AB
    • Ouder 1 heeft AA en ouder 2 heeft AB en beide ouders geven A door (AA=A).
    • Ouder 1 heeft A0 en ouder 2 heeft AB en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft A door (AA=A), of ouder 1 geeft 0 door en ouder 2 geeft A door (0A=A).
  • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft 0
    • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft 00 en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft 0 door (A0=A).
  • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft B
    • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft B0 en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft 0 door (A0=A).

     

Als een kind bloedgroep B heeft, dan kunnen de ouders de volgende bloedgroepen hebben:

  • Beide ouders hebben ook bloedgroep B
    • Beide ouders hebben BB en geven beide A door (BB=B).
    • Bij beide ouders hebben B0 en tenminste 1 ouder een B door (B0=B of BB=B).
    • Ouder 1 heeft BB en ouder 2 heeft B0 en ze geven beide B door (BB=B), of ouder 2 geeft 0 door (B0=B).
  • Beide ouders hebben bloedgroep AB
    • Beide ouders hebben AB en geven beide een B door (BB=B).
  • Ouder 1 heeft B en ouder 2 heeft 0
    • Ouder 1 heeft BB en ouder 2 heeft 00 en ouder 1 geeft B door en ouder 2 geeft 0 door (B0=B).
    • Ouder 1 heeft B0 en ouder 2 heeft 00 en ouder 1 geeft B door en ouder 2 geeft 0 door (B0=B).
  • Ouder 1 heeft B en ouder 2 heeft A
    • Ouder 1 heeft BB en ouder 2 heeft A0 en ouder 1 geeft B door en ouder 2 geeft 0 door (B0=B).
    • Ouder 1 heeft B0 en ouder 2 heeft A0 en ouder 1 geeft B door en ouder 2 geeft 0 door (B0=B).
  • Ouder 1 heeft B en ouder 2 heeft AB
    • Ouder 1 heeft BB en ouder 2 heeft AB en beide ouders geven B door (BB=B).
    • Ouder 1 heeft B0 en ouder 2 heeft AB en ouder 1 geeft B door en ouder 2 geeft B door (BB=B), of ouder 1 geeft 0 door en ouder 2 geeft B door (0B=B).
  • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft 0
    • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft 00 en ouder 1 geeft B door en ouder 2 geeft 0 door (B0=B).
  • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft A
    • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft A0 en ouder 1 geeft B door en ouder 2 geeft 0 door (B0=B).

     

Als een kind bloedgroep AB heeft, dan kunnen de ouders de volgende bloedgroepen hebben:

  • Beide ouders hebben ook bloedgroep AB
    • Ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft B door, of ouder 1 geeft B door en ouder 2 geeft A door (AB=AB).
  • Ouder 1 heeft bloedgroep AB, ouder 2 heeft bloedgroep A
    • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft AA en ouder 1 geeft B door en ouder 2 geeft A door (AB=AB).
    • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft A0 en ouder 1 geeft B door en ouder 2 geeft A door (AB=AB).
  • Ouder 1 heeft bloedgroep AB, ouder 2 heeft bloedgroep B
    • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft BB en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft B door (BA=AB).
    • Ouder 1 heeft AB en ouder 2 heeft B0 en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft B door (BA=AB).
  • Ouder 1 heeft bloedgroep A en ouder 2 heeft bloedgroep B
    • Ouder 1 heeft AA en ouder 2 heeft BB en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft B door (AB=AB)
    • Ouder 1 heeft A0 en ouder 2 heeft BB en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft B door (AB=AB)
    • Ouder 1 heeft AA en ouder 2 heeft B0 en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft B door (AB=AB)
    • Ouder 1 heeft A0 en ouder 2 heeft B0 en ouder 1 geeft A door en ouder 2 geeft B door (AB=AB)

Overerving rhesusfactor

Ook de rhesusfactor wordt doorgegeven tijdens de zwangerschap (overerving). Er zijn meerdere genen bekend die een rol spelen bij het erven van de rhesusfactor, maar om het nog enigszins te kunnen begrijpen behandelen we de rhesusfactor hier als 1 gen. De rheusfactor wordt aangeduid met een ‘d’ voor negatief en een ‘D’ voor positief. Bij de rhesusfactor is positief dominant.  

Iemand die rhesus positief is heeft dus DD of Dd
Iemand die rhesus negatief is heeft dus dd.

Als een kind met een positieve rhesusfactor heeft, dan kunnen de ouders de volgende rhesusfactoren hebben:

  • Beide ouders hebben een positieve factor
    • Beide ouders hebben DD en geven allebei een D door (DD=D).
    • Beide ouders hebben Dd en tenminste 1 ouder geeft D door (Dd=D of DD=D).
    • Ouder 1 heeft DD en ouder 2 heeft Dd en ouder 1 geef D door (DD=D) en ouder 2 geeft D of d door (Dd=D).
  • Ouder 1 heeft een positieve factor en ouder 2 heeft een negatieve factor
    • Ouder 1 heeft DD en ouder 2 heeft dd en ouder 1 geeft D door en ouder 2 geeft d door (Dd=D).
    • Ouder 1 hefet Dd en ouder 2 heeft dd en ouder 1 geeft D door en ouder 2 geeft d door (Dd=D).

Als een kind met een negatieve rhesusfactor heeft, dan kunnen de ouders de volgende rhesusfactoren hebben:

  • Beide ouders hebben een negatieve factor
    • Beide ouders hebben dd en geven allebei een d door (dd=d).
  • Beide ouders hebben een positieve factor
    • Beide ouders hebben Dd en geven allebei een d door (dd=d).
  • Ouder 1 heeft een positieve factor en ouder 2 heeft een negatieve factor
    • Ouder 1 heeft Dd en ouder 2 heeft dd en beide ouders geven een d door (dd=d).

 

Bloedgroepen en bloedtransfusies

De bloedgroep is essentieel op het moment dat iemand een bloedtransfusie nodig heeft. Bij een bloedtransfusie is het noodzakelijk dat een patiënt bloed ontvangt wat compatibel is met zijn of haar eigen bloed, dit betekent dat het gedoneerde bloed geaccepteerd moet worden door het eigen bloed. Indien de bloed types niet compatibel zijn, zullen de rode bloedlichaampjes samenklonteren, waardoor de aderen kunnen verstoppen, wat de dood tot gevolg kan hebben. Type O– bloed wordt beschouwd als de “universele donor” omdat het bloed kan worden toegediend aan mensen onafhankelijk van hun bloedgroep. Type AB+ bloed wordt beschouwd als de “universele ontvanger” omdat mensen met dit type bloed, alle andere bloedgroepen kunnen ontvangen. Hieronder staat weergegeven welke bloedgroepen welk bloed kunnen ontvangen.

Ontvanger met bloedgroep A+ kan ontvangen: O-, O+, A+, A-

Ontvanger met bloedgroep A- kan ontvangen: O-, A-

Ontvanger met bloedgroep B+ kan ontvangen: O-, O+, B+, B-

Ontvanger met bloedgroep B- kan ontvangen: O-, B-

Ontvanger met bloedgroep AB+ kan ontvangen: O-, O+, A+, A-, B+, B-, AB+, AB-

Ontvanger met bloedgroep AB- kan ontvangen: O-, A-, B-, AB-

Ontvanger met bloedgroep O+ kan ontvangen: O-, O+

Ontvanger met bloedgroep O- kan ontvangen: O-

 

Medical
website
Contact | Disclaimer
© 2012 Bloedcellen.nl All Rights Reserved